Bloem "bollen" komen in verschillende vormen voor: bollen, knollen en wortelstokken. 

Voor velen van ons zal het als een verrassing komen dat wat in de volksmond meestal gewoon wordt aangeduid als "bollen" veelal helemaal geen echte bollen zijn.

Betekent dit nu dat velen ons gewoon niet weten waar we het over hebben? Niet echt!  Hoewel het woord "bol" misschien botanisch gesproken vaak niet relevant is, is het in de praktijk volledig geaccepteerd om het woord “bol” te gebruiken voor bijna alle bolgewassen (bolgewassen zijn die soorten van de meestal eenzaadlobbige plantenwereld die “vlezige” ondergrondse opslagorganen produceren en zowel een groei- als rustperiode kennen). 

Het is dus niet zo erg om wanneer het eigenlijk om knollen of wortelstokken gaat, gewoon simpelweg te praten over “bollen”.  Bij Bulbs & beyond zijn wij best wel tevreden met deze botanische vereenvoudiging, want het maakt ons leven een stuk makkelijker!

Hieronder beschrijven we in het kort de verschillende “bol” vormen.

 

“Echte” Bollen

Een echte bol is een complete “mini-plant” (hoewel je zou kunnen zeggen dat een Hippeastrum/Amaryllis bol niet echt “mini” is).  Een bol is opgebouwd uit vlezige schubben of rokken, met een embryonale bloem in het centrum, omringd door de onontwikkelde bladeren. De schubben of rokken zijn in feite gemodificeerde bladeren die voedingsstoffen opslaan, om de bol in zijn rustperiode en vroege stadia van de groei te ondersteunen.  We spreken van schubben als de bladachtige delen de bol deels omsluiten (bv lelie of fritillaria) en rokken als de bladachtige delen de bol geheel omsluiten (bv tulp of allium).

Bollen hebben een vlakke onderkant die basale plaat of bolbodem wordt genoemd.  Deze basale plaat houdt de schubben of rokken bij elkaar en is de plek waar de wortels zich ontwikkelen en groeien. Reproductie van echte bollen gebeurt via de vorming van nieuwe knoppen (kleine bolletjes) uit de “oksels” die tot de basale plaat behoren.

Meerjarige bloembollen produceren ieder jaar van binnenuit nieuwe schubben/rokken die de buitenste lagen vervangen wanneer die zijn opgebruikt (de buitenste rokken drogen doorgaans vliezig op, waardoor ze voor de bol een beschermende rol vervullen). 

De meeste echte bollen hebben dus een papierachtige huid aan de buitenkant. Deze huid (rokken) helpt het weefsel van de bol te beschermen tegen uitdroging en beschadiging. Sommige bollen zoals de lelie of fritillaria beschikken niet over deze beschermende huid en zijn dus gemakkelijker beschadigd door ruwe behandeling, en zijn ook gevoeliger voor uitdroging.

Voorbeelden van echte bollen zijn: tulp, hyacint, narcis, muscari, allium, lelie, en fritillaria

 

Knollen 

Sommige knollen lijken vaak veel op echte bollen maar de structuur is in feite zeer verschillend.  Weer andere knollen zien er ook geheel anders uit dan bollen.

Knollen kunnen worden onderverdeeld in drie soorten; stengelknollen, dicotyle knollen en wortelknollen.

Stengelknollen 

Een stengelknol is een gezwollen ondergrondse stengel van de plant, die als voedingsstof opslagorgaan dient voor de plant om de rustperiode te overleven. Knollen hebben één of meer centrale groeipunten (knoppen) aan de bovenkant en een basale plaat aan de onderkant waar de wortels groeien. Aan het einde van het groeiseizoen raakt de voedselreserve op en sterft de oude knol meestal af.  Er ontwikkelt zich dan één of meer kleine nieuwe knollen bovenop of aan de zijkant van de oude knol.

De meeste stengelknollen hebben ook een beschermende huid gevormd, bestaande uit restanten van droge bladachtige delen van het voorgaande jaar.

De nieuwe knol bevat de voedingsstoffen voor de nieuwe plant die na de rustperiode weer zal groeien.

Voorbeelden van stengelknollen zijn: Crocus, Gladiool, Crocosmia, Ixia en Freesia

Dicotyle knollen

Een dicotyle knol is een ondergrondse verdikte stengel die voedingsstoffen opslaat voor de plant.  De knol slaat ook energie op voor het volgende groeiseizoen.  In het Engels heeft dit type knol een eigen aanduiding, “tuber”.  In het Nederlands gebruiken we dit echter niet.  De meest bekende knol uit deze categorie is de aardappel.

Knollen hebben geen beschermende buitenlaag, noch een basale plaat.  Dicotyle knollen hebben over het algemeen ook geen georganiseerde groeipunten (ook wel ogen of knoppen genoemd).  Sommige knollen hebben hun “ogen” aan de bovenkant, maar vaak kunnen nieuwe knoppen van alle kanten gelijktijdig uitlopen.  Het kan dus soms erg moeilijk zijn om vast te stellen wat de boven- en onderkant van dit knoltype is.  Als u er bij het planten niet zeker van bent, dan is het beste om het maar veilig te spelen en de knol zijwaarts te planten.

Dicotyle knollen hebben geen specifieke interne structuur zoals een echte bol die heeft, en ze produceren ook geen nieuwe knollen. De meeste knollen hebben de neiging om ieder jaar groter te worden en ook meer groeipunten (knoppen) te produceren, maar er zijn ook soorten die ieder jaar kleiner worden.

Voorbeelden van Dicotyle knollen zijn: begonia en anemoon.

Wortelknollen

Wortelknollen zijn gezwollen wortels die reservevoedsel voor de plant opslaan. De knollen hangen vaak als een tros onder een kruin (de bodem van een stengel). De stengel bevat een knop (ook wel oog), die het nieuwe groeipunt vormt (vaak zijn er meerdere knoppen).  De vezelige wortels absorberen water en voedingsstoffen uit de bodem. 

Een stuk wortel alleen zal niet groeien of een nieuwe plant produceren. Voortplanting gebeurt door middel van het afsnijden van individuele wortels met op z’n minst één groeiende knop aan de bovenkant.

Voorbeelden van wortelknollen zijn: dahlia en ranonkel.

 

Wortelstokken (Rhizomen)

Een wortelstok is een verdikte ondergrondse kruipende stengel die voedingsstoffen voor de plant bevat. Wortelstokken verschillen van andere bolgewassen door zijwaarts in plaats van omhoog te groeien. De stengels lopen geheel of gedeeltelijk ondergronds en zijn bedekt met schubvormige bladeren. 

De belangrijkste knop (groeipunt) bevindt zich aan het uiteinde van de wortelstok, maar wortelstokken vertakken, en elk nieuw deel vormt zijn eigen knop aan de bovenkant of aan de zijkanten. Wortels vormen zich aan de onderkant van de horizontale stengels.

Reproductie van wortelstokken/rhizomen is relatief eenvoudig door ze te splitsen in stukken, die elk een nieuwe plant vormen.  Het is wel belangrijk dat elk stuk wortel tenminste één knop heeft, anders kan er geen nieuwe plant gevormd worden.

Voorbeelden van wortelstokken/rhizomen zijn: Convallaria majalis , Canna en Zantedeschia.

 

Voor meer informatie of bloembollen online kopen, bezoek onze website via www.bulbsandbeyond.com